logo
Bewoningsgeschiedenis Helden
Home
heemkundekring logo

Mariaplein 16

Verdwenen aan het Mariaplein, het Jennishuis

Dit gebouw lag tussen café-zaal Aerts en de Enwe.

                                   

 

Volgens de volkstelling werd het huis in 1801 bewoond door Pieter Verhaegh en Anna Maria Meewiss, de schoonouders van Jenniskens (later "Enwé"). Zij hadden twee kinderen, toen 14 en 8 jaar oud. In het jaar 1805 zette genoemde Pieter een verdieping, een "stok" op het bestaande huis. Er werd toen een gevelsteen van Naamse steen, van 35 bij 35 cm ingemetseld met daarop de volgende inscripties, respectievelijk    P:V:H    A:A:M    AN 1805 NO In 1805 had Verhaegh 5 man personeel, waarvan de oudste 32 en de jongste 21 was. Achter het woonhuis stonden de stallen en schuren. Het dak en de muren hiervan waren zeer bouwvallig en stonden op instorten. Vermoedelijk was het gebouw wel 100 jaar ouder dan het er voor staande woonhuis. Van de stallen zijn alleen wat gedeelten van hardstenen voerbakken teruggevonden.

In 1843 woont er Renier Jenniskens, die het huis en bijgebouw met tuin (percelen 514 tot 516) van Verhaegh heeft overgenomen. Hij heeft als beroep brander.

De indeling van het huis was iets anders dan gebruikelijk. Er was een opkelder, of beter gezegd een opkamer. Soms kon men vanwege de druk van het grondwater de kelder niet diep genoeg uitgraven. Dan werden de kelder en het vertrek erboven wat hoger gelegd. Achter de voordeur kwam men in het voorhuis, waar men naar boven kon maar ook naar de achter en naast liggende vertrekken. Links naast dit voorhuis was een ruim vertrek met een doorgang naar een ommuurd binnenplaatsje, vanwaar men via een prachtig gemetselde boog naar het erf kon.

Op de zolder van een der bijgebouwen was een grote cirkel van drie meter middellijn, gevormd door rechtopstaande plankjes van ongeveer 60 centimeter hoog, zonder bodem erin. Deze werd waarschijnlijk gebruikt voor het opslaan en drogen van kruiden.

In 1876 was het een huurhuis van kerkmeester en buurman Jenniskens. In dat jaar kwam het gebouw in gebruik als een provisorisch klooster met tijdelijke bewaarschool en naaischool van de zusters van de Goddelijke Voorzienigheid. Deze zusters kregen het pand op 12 december aangewezen van de destijdse pastoor Jacobs. De dames Haffmans-Bernegau, Jenniskens en van Oijen hebben toen samen met de pastoor de eerste inrichting verzorgd alsook voor de eerste levensbehoeftes. In januari 1877 kon de bewaarschool al beginnen onder de leiding van zuster Armella. Daarna werd gestart met met een ziekenverpleging onder leiding van de zusters Norburgia en Agnes. De eerste "klant" was een gezin met typhus. ook weeskinderen koner en later terecht.
Vanaf het begin was er al plaatsgebrek, zelfs nadat het pakhuis van buurman Jenniskens erbij gevoegd was. Om die reden zijn de zusters toen al in 1881 naar de overkant van de Pool verhuisd naar het pand van oud-burgemeester Verhaegh (nu pand van der Heijden). In 1880 kocht Giel Peeters dit huis voor weinig geld, dat als deelproject te koop werd aangeboden na de dood van Burgemeester Verhaegh. Enkele latere pachters van dit huis waren: M. Gerris, Dirks, Roost, Verdellen en als laatste Greijmans. De familie Greijmans hebben hier vanaf 1890 nog sigaren gemaakt met het merk "Senoritas".


Het vervallen pand Jenniskens of Greijmans (in de volksmond wordt verschillend gesproken), tussen Apollo en Enwé wordt in 19.. afgebroken.

  

 


Laatst bijgewerkt op 19 januari 2026 om 16:02:01